Een blog over paarden? Ja en nee. Verwacht geen verhaal over groene weides en vrolijke regenbogen, eerder een over keiharde dollars. De namen pony, centaur en unicorn worden sinds kort namelijk in Silicon Valley gebruikt om start-ups mee te classificeren. Om precies te zijn: Een pony is minstens 10 miljoen waard, een centaur 100 miljoen en een unicorn 1 miljard. Leuk, maar wat hebben we eraan?

Bedrijven die veel geld waard zijn, zijn niet nieuw. Er zit echter een groot verschil in de manier waarop deze bedrijven hun waarde hebben verworven. Klassieke multinationals verdienen hun geld met het verkopen van goederen of diensten; het oudste en eenvoudigste verdienmodel dat we kennen. Met de gemaakte winst groeit het bedrijf stukje bij beetje, en waar nodig helpen leningen en investeringen om de groei wat te versnellen. Bij de bedrijven die zichzelf een pony, centaur of unicorn mogen noemen zit dat anders. Deze bedrijven danken hun waarde aan immateriële zaken. Grote verschil? Je kunt in korte tijd enorm opschalen. Bedrijven als Spotify, Uber en Snapchat hoeven geen extra personeel aan te nemen of winkelpanden te openen om hun klantenbestand te laten groeien. Kortom: goede ideeën worden beloond, een prima ontwikkeling dus. Maar nu het gevaar: veel investeerders willen meeprofiteren van deze groeimogelijkheden. Daardoor wordt er in bedrijven geïnvesteerd zonder dat er concrete businessplannen liggen. Er lijkt een wedloop te ontstaan voor wie het eerst grip kreeg op die nieuwe veelbelovende start-up.

Nu ben ik geen econoom, maar ik neem je mee in de basics: Als veel investeerders een aandeel willen gaat de prijs omhoog, en doordat de prijs omhoog gaat, willen meer investeerders een aandeel (immers, de prijs gaat omhoog dus op termijn een goede investering). Bij klassieke bedrijven bleef deze vicieuze cirkel beperkt, omdat investeerders goede prognoses konden maken van de opbrengst van aandelen. Bij deze snelgroeiende bedrijven ligt dat anders. Niemand weet precies hoeveel winst ze gaan maken, en wat die aandelen nu uiteindelijk gaan opleveren (velen, waaronder Uber, hebben nog nooit een cent winst gemaakt!). Conclusie: de waarde van aandelen is vooral emotioneel. Eerlijk gezegd zou ik ook best een aandeeltje in bijvoorbeeld Spotify willen hebben. Gewoon, omdat het tof is.

Dit alles kan lange tijd goed gaan, maar als het sentiment omslaat hebben we een probleem. Als beleggers er geen vertrouwen meer in hebben, willen ze hun aandelen kwijt. Hierdoor gaan de prijzen dalen (je neemt genoegen met een wat lagere prijs want je bent blij dat je er vanaf bent). Als dat hard genoeg gaat zal de ‘bubble’ barsten. Probleem: het geld verdampt.

Ik vertelde in een vorige blog al dat het lastig is om een waarde te koppelen aan data. Datzelfde is het geval voor nieuwe technologieën. Vooral doordat dergelijke bedrijven investeren in elkaar, blijft het geld binnen de bubble. We weten niet wat hun producten of diensten waard zijn in onze klassieke maatschappij. Nu zijn er vanaf hier 3 opties: 1. We vinden een manier om meer realistische waardes te koppelen aan dergelijk bedrijven. 2. We accepteren dat investeringen minder stabiel zijn dan de afgelopen decennia, of 3. We verliezen ons vertrouwen in deze sector en de bubble barst.